Therapie‎ > ‎

EMDR

EMDR wordt gebruikt als er sprake is van traumatische ervaringen, bijvoorbeeld bij mishandeling, misbruik, verkeersongelukken en andere schokkende ervaringen. Tevens wordt EMDR ook ingezet bij angstklachten, chronische pijn en een negatief zelfbeeld.

EMDR betekent Eye Movement Desensitization and Reprocessing. Door de oogbewegingen (Eye Movement) worden beide hersenhelften gestimuleerd en kan het trauma verwerkt worden. 
 
Hoe gaat EMDR in z'n werk?

De therapeut, in dit geval Anna, vraagt je om de gebeurtenis opnieuw voor de geest te halen. Tegelijkertijd laat ze haar hand ongeveer 20 keer voor je gezicht langs heen en weer bewegen. Dit brengt een stroom van gedachten en beelden op gang, maar soms ook gevoelens en lichamelijke sensaties. Je wordt na elke set oogbewegingen gevraagd je te concentreren op de meest opvallende verandering, waarna er een nieuwe set volgt. Vaak verandert er wat in hoe je je voelt of denkt en ook de intensiteit van de gevoelens verandert. In plaats van de oogbewegingen kan de therapeut ook werken met geluiden (klikjes) die afwisselend rechts en links worden aangeboden, of de therapeut tikt op de knieën of in de handen.

Wat zijn de effecten?

De oogbewegingen, geluiden en tikjes zorgen ervoor dat de herinnering haar kracht en emotionele lading verliest. Het wordt daardoor steeds gemakkelijker om aan de oorspronkelijke gebeurtenis terug te denken. In veel gevallen veranderen ook de herinneringsbeelden zelf en worden ze bijvoorbeeld waziger of kleiner. De schokkende ervaring krijgt zo steeds meer een plek in je levensgeschiedenis. Je kunt er aan terugdenken zonder de bijbehorende nare gevoelens. Ook kunnen er spontaan nieuwe gedachten of inzichten ontstaan die helpen bij de integratie.

Wanneer wordt EMDR toegepast?

Uitgangspunt is dat de klachten zijn ontstaan als gevolg van een of meer beschadigende ervaringen. Gebeurtenissen waarvan je nog steeds last hebt. Zoals: emotionele verwaarlozing, misbruik, incest, akelige ervaringen op medisch gebied, verlieservaringen, werkgerelateerde gebeurtenissen en andere schokkende, schaamtevolle of anderszins ingrijpende ervaringen.

Verder bij psychische klachten ten gevolge van een PTSS (post-traumatisch stress-stoornis). En bij klachten die gepaard gaan met vermijdingsgedrag, somberheid en/of gevoelens van angst, schaamte, verdriet, schuld of boosheid.